1. Trick-taking-spellen: Bij deze spellen spelen spelers om de beurt kaarten om "trucs" te winnen door bepaalde regels te volgen. De speler die de meeste slagen wint, wint doorgaans het spel. Voorbeelden zijn onder meer:
* Brug: Een strategisch spel met bieden en partnerschappen.
* Schoppen: Een trick-taking-spel waarbij spelers trucs proberen te maken met schoppen.
* Harten: Een trick-taking-spel waarbij spelers proberen harten te vermijden.
2. Bouwspellen: Bij deze spellen bouwen spelers sets of reeksen kaarten, vaak volgens specifieke regels of doelstellingen. Voorbeelden zijn onder meer:
* Rummy: Een spel waarbij spelers sets kaarten met dezelfde rangorde of reeksen kaarten in volgorde bouwen.
* Gekke Achten: Een spel waarbij spelers al hun kaarten proberen kwijt te raken door de rang of kleur te matchen.
* Solitaire: Een spel voor één speler met een verscheidenheid aan bouw- en doelgerichte doelstellingen.
Er zijn veel andere categorieën kaartspellen, maar deze twee soorten komen veel voor en vormen een goed startpunt om de diversiteit van kaartspellen te begrijpen.